Tariefmethodologie distributienettarieven 2017-2020

  1. Wat is de tariefmethodologie?
  2. Wat is een reguleringsperiode?
  3. Voor hoe lang is de huidige tariefmethodologie van kracht?
  4. Hoe komt de tariefmethodologie tot stand?
  5. Heb ik inspraak in de tariefmethodologie?
  6. Wat zijn periodieke en niet-periodieke distributienettarieven?
  7. Hoe werkt de tariefmethodologie 2017-2020?
  8. Zijn exogene kosten altijd voor rekening van de klant?
  9. Zijn de endogene kosten van de netbeheerder altijd voor rekening van de klant?
  10. Hoe weet ik of een distributienettarief voor exogene of endogene kosten dient?
  11. Hoe werkt de benchmarking van endogene kosten in de tariefmethodologie?
  12. Hoe werkt het voorschotmechanisme?
  13. Is de winst van de distributienetbeheerder gegarandeerd?
  14. Is het opnemen van een potentiële winstmarge voor de  distributienetbeheerders in de distributienettarieven noodzakelijk?
  15. Is er een risico dat een distributienetbeheerder uit winstmaximalisatie te veel bespaart op zijn kosten?
  16. Stimuleert de tariefmethode voldoende de kwaliteit van de dienstverlening door de distributienetbeheerder?
  17. Met welk rendement voor kapitaal wordt gerekend?
  18. Waarom wordt de vennootschapsbelasting aangerekend via de nettarieven?
  19. Wat zijn regulatoire saldi?
  20. Wat gebeurt met de inkomsten van de netbeheerder uit niet-periodieke distributienettarieven?
  21. Waar vind ik gedetailleerde informatie over de tariefmethodologie en de nettarieven van mijn distributienetbeheerder terug?

Wat is de tariefmethodologie?

De tariefmethodologie omvat de regels, de rapporteringen en de berekeningen waarmee de tarieven voor de elektriciteits- en aardgasdistributie worden bepaald.  Die distributienettarieven zijn een onderdeel van de energiefactuur, nl. wat u betaalt voor het gebruik van het distributienet, voor de afname van stroom of aardgas. Voor de volledigheid vermelden we  ook het distributienettarief voor de injectie van stroom in het distributienet. Er kan ook een distributienettarief komen voor de injectie van biogas in het distributienet, als dat zou gebeuren.

De tarieven zijn de inkomstenbron voor de ondernemingen die in Vlaanderen het  elektriciteits-en aardgasdistributienetbeheer verzorgen. Het zijn de distributienetbeheerders Gaselwest, Imea, Imewo, Intergem, Iveka, Iverlek en Sibelgas bij Eandis en Infrax West, Iveg, InterEnerga en PBE bij Infrax. Eandis en Infrax zijn de werkmaatschappijen en hebben een grotere naambekendheid.

De distributienetbeheerders zijn monopolisten. Er liggen bijvoorbeeld geen twee gasnetwerken in eenzelfde straat, dat zou te duur zijn. Om misbruik van de monopoliepositie tegen te gaan, worden de bedrijven gereguleerd. Daarom is er een tariefregulering die bepaalt hoe hoog de distributienettarieven mogen zijn.

Wat is een reguleringsperiode?

Een tariefmethodologie geldt voor de vaststelling van distributienettarieven van een welbepaald aantal opeenvolgende jaren, wat dan de jaren van de reguleringsperiode zijn. De distributienettarieven worden in die periode elk jaar opgesteld overeenkomstig die tariefmethodologie.

Voor hoe lang is de huidige tariefmethodologie van kracht?

De huidige tariefmethodologie 2017-2020 vormt de basis voor de distributienettarieven van 2017  tot en met 2020. Ze volgt op de vorige tariefmethodologie 2015-2016, die de basis vormde voor de distributienettarieven van 2015 en 2016.

Hoe komt de tariefmethodologie tot stand?

De VREG beslist tot de tariefmethodologie, of tot een update ervan, en dit na overleg met de netbeheerders en belanghebbenden en na een openbare raadpleging. De VREG volgt daarbij de werkwijze die wordt opgelegd in het Energiedecreet. De VREG moet daarbij rekening houden met bepaalde richtlijnen, richtsnoeren genoemd, zoals de noodzaak voor transparantie en niet-discriminatie. Deze richtsnoeren worden vermeld in het Energiedecreet.

Heb ik inspraak in de tariefmethodologie?

Ja. De VREG houdt altijd een openbare raadpleging voor hij beslist over de methodologie. Elke belanghebbende die zich kenbaar maakt met naam en adres, kan tijdens die consultatieperiode de VREG aanschrijven en zijn zienswijze(n) over het consultatiedocument doorgeven, best met een motivatie waarom. De VREG analyseert al de ontvangen zienswijzen en beslist desgevallend tot een aanpak die verschilt van de oorspronkelijke aanpak volgens de consultatie.

U kan inschrijven op onze nieuwsbrief of de consultatiekalender raadplegen om te weten wanneer er een nieuwe raadpleging over de tariefmethodologie is. Een consultatieperiode duurt normaal twee maand.

Wat zijn periodieke en niet-periodieke distributienettarieven?

De periodieke distributienettarieven worden gebruikt bij de opmaak van de jaarlijkse energiefactuur door uw energieleverancier. De leverancier rekent maandelijks een voorschot aan.

De niet-periodieke distributienettarieven zijn eenmalige tarieven, bijvoorbeeld naar aanleiding van een aanvraag voor de aansluiting van een woning op het distributienet.

De tariefmethodologie bepaalt hoe beide distributienettarieven worden vastgesteld.

Hoe werkt de tariefmethodologie 2017-2020?

We trachten hier een bondige beschrijving van de tariefmethodologie te geven. Dit is moeilijk omdat een kort antwoord weinig ruimte biedt om de ingebouwde evenwichten tussen de belangen van netbeheerders en netgebruikers weer te geven.

De periodieke distributienettarieven worden afgestemd op de werkelijke, efficiënte kosten van de distributienetbeheerders, waarbij de distributienetbeheerders een prikkel ontvangen om hun kosten te beperken. Op korte termijn veroorzaken kostenbesparingen voor hen extra winst, maar op lange termijn moet de distributienetbeheerder er ook voor zorgen dat hij zijn distributienet efficiënt en veilig kan blijven uitbaten.

We maken een belangrijk onderscheid tussen exogene en endogene kosten. Deze indeling bepaalt hoe ze in de periodieke nettarieven zullen doorgerekend worden:

- Exogene kosten: Dit zijn kosten waar het niet mogelijk is om de netbeheerder te vragen om deze kosten te gaan beheersen. Deze kosten worden daarom als “exogeen” of niet- beïnvloedbaar beschouwd.

  • De distributienetbeheerder ontvangt voor deze kosten een bepaald toegelaten inkomen uit zijn periodieke distributienettarieven volgens de verwachte exogene kosten (budget).

- De endogene (niet-exogene) kosten: Het zijn a.h.w. de “echte” kosten van het distributienet: dit zijn de kosten ontstaan door beslissingen van de netbeheerder, zoals over investeringen, werkingsmiddelen en financiering.

  • De distributienetbeheerder ontvangt voor deze kosten een bepaald toegelaten bedrag uit zijn periodieke distributienettarieven. Zijn inkomsten worden m.a.w. geplafonneerd. Hier is er dus een financieel risico. Elke euro die een netbeheerder tijdens het jaar kan besparen, zal hem op het einde van dat jaar een extra euro winst opleveren. We nemen in het toegelaten inkomen voor de endogene kosten, bepaald na benchmarking, een potentiële winstmarge op voor de distributienetbeheerder.

Zijn exogene kosten altijd voor rekening van de klant?

Ja, we kunnen aan de distributienetbeheerder niet vragen om deze kosten te beïnvloeden. Voorbeeld: de netbeheerder is decretaal verplicht om steuncertificaten voor productie van hernieuwbare energie aan een welbepaalde prijs aan te kopen. Hij kan dit niet weigeren of verhinderen. Daarom gebruiken we ook de naam “exogeen”.

We hebben de kosten met het etiket ‘exogeen’ zorgvuldig geselecteerd. Ze worden altijd doorgerekend in de periodieke nettarieven.

Om te anticiperen en tarifaire tekorten te beperken maakt de distributienetbeheerder vooraf een budget voor de exogene kosten op voor het volgende jaar. Dit zal vervolgens, samen met het door de VREG toegelaten inkomen voor de endogene kosten, dienen om de distributienettarieven van dat jaar vast te leggen.

Saldi (tarifaire tekorten of overschotten) ontstaan altijd door verschillen tussen budgetten en realiteit. Als de werkelijke exogene kosten lager uitvallen dan gebudgetteerd, vloeit het te veel ontvangen terug naar de klanten via de daaropvolgende nettarieven. Als de werkelijke kosten hoger uitvallen dan gebudgetteerd, moeten de klanten het tekort bijpassen via de daaropvolgende nettarieven. Analoog, als de kosten wel goed waren gebudgetteerd maar de inkomsten lager waren, moet het tekort aan inkomsten via latere tarieven alsnog gerecupereerd worden.

Omdat de tariefmethodologie de distributienetbeheerder de zekerheid geeft dat hij die exogene kosten volledig zal recupereren, is er voor hem eigenlijk geen risico. Hoogstens ontstaan tijdelijke saldi tussen de kosten en de inkomsten, met een tijdelijke financieringskost of –opbrengst. Een distributienetbeheerder kan  amper winst halen uit de doorrekening van de exogene kosten. We houden rekening met het lage risico in de financieringskost voor de “exogene” zaken op de balans, zoals de steuncertificaten nog in voorraad bij de netbeheerder en zijn regulatoire tarifaire saldi. De distributienetbeheerder heeft voor deze zaken op zijn balans een financiering aangetrokken. De hoogte van die financieringskost wordt door de tariefmethodologie bepaalt en op zijn beurt als een exogene kost gegarandeerd doorgerekend in de distributienettarieven.

Zijn de endogene kosten van de netbeheerder altijd voor rekening van de klant?

Neen. Er is geen strikte doorrekening van de endogene kosten van de distributienetbeheerder aan zijn netgebruikers. Er is wel een vorm van nacalculatie in combinatie met een benchmarking tussen de distributienetbeheerders. M.a.w. de huidige endogene kosten van de distributienetbeheerders zullen een invloed hebben op de latere distributienettarieven in de volgende reguleringsperiode(s), maar kunnen de distributienettarieven in de huidige reguleringsperiode niet meer beïnvloeden. Het resultaat van het in de tariefmethodologie gehanteerde mechanisme is voor de netbeheerder niet geheel voorspelbaar. Het door de VREG toegelaten inkomen van de distributienetbeheerder uit zijn distributienettarieven voor het lopende jaar voor dit soort kosten ligt vanaf het begin vast. Het zal achteraf niet meer gewijzigd worden. We garanderen wel aan de distributienetbeheerder dat hij dit inkomen zal ontvangen. Meestal ontstaat er immers een klein saldo omdat de ontvangsten lager of hoger zijn dan verwacht en toegelaten, wat via de latere distributienettarieven resp. nog te recupereren of af te staan is.

We vinden het belangrijk dat de netbeheerders, die optreden als monopolisten, in een vorm van competitie met elkaar worden gebracht. In de methodologie wordt daarom een prikkel voorzien om er voor te zorgen dat ze voldoende aandacht hebben voor een efficiënte werking. We plafonneren het toegelaten inkomen voor de endogene kosten voor elke distributienetbeheerder. Dit creëert een verhoogd kostenbewustzijn. Tegelijk willen we er voor zorgen dat dit inkomen op een redelijke en evenwichtige wijze vooraf wordt vastgesteld.

Er is dus een mechanisme in de tariefmethodologie dat er voor zorgt dat het toegelaten inkomen voor endogene kosten uit de distributienettarieven wordt afgeleid uit de historische endogene kosten. Voor de reguleringsperiode 2017-2020 werd het toegelaten inkomen afgeleid uit de kosten gemaakt tijdens 2011-2015. In de toekomst zou dit mechanisme van nacalculatie gehandhaafd kunnen worden. Lagere kosten bij de distributienetbeheerders, door kostenbesparingen, leiden dan tot lagere distributienettarieven. Het zorgt steeds voor gepaste bijsturing van het inkomen op het niveau en de trend van de laatste werkelijke efficiënte endogene kosten, immers gemaakt onder de geplafonneerde inkomsten.

Hoe weet ik of een distributienettarief voor exogene of endogene kosten dient?

U kunt aan een distributienettarief niet zien of het betrekking heeft op de exogene of endogene kosten van de distributienetbeheerder. We hanteren achterliggende rekenmodellen waarbij elk tarief uit zowel een gedeelte exogene kosten als uit een gedeelte endogene kosten kan bestaan.

De eerste lijn op het tariefblad van de periodieke nettarieven, het basistarief, bevat normaal veel ‘echte’ netkosten, m.a.w. endogene kosten. Bij het tarief voor de openbaredienstverplichtingen kan een groot aandeel exogene kosten zijn, zoals voor de opkoop van de steuncertificaten.

We vonden het niet nodig om de tarieven zelf ook op te delen in het deel exogeen en het deel endogeen. Dat zou het geheel minder overzichtelijk maken.

Hoe werkt de benchmarking van endogene kosten in de tariefmethodologie?

In het jaar voorafgaand aan een nieuwe reguleringsperiode (2016 voor 2017-2020) worden de door de distributienetbeheerders gemaakte endogene netkosten van de afgelopen jaren (2011-2015) met elkaar vergeleken. Samen geven ze aan in welke richting de kosten in de sector van de netbeheerders tegenwoordig evolueren. De tariefmethodologie gebruikt deze informatie als indicatie voor de vaststelling van de evolutie van de toegelaten inkomsten in de jaren van de komende reguleringsperiode. Het is een vorm van nacalculatie. Dit proces zou in de toekomst telkens moeten herhaald worden per reguleringsperiode om de meest recente evolutie te kunnen identificeren en de toegelaten inkomsten bij te sturen.

De benchmarking beloont de efficiëntiewinsten uit de laatste jaren bij de distributienetbeheerders. Als een distributienetbeheerder het “beter” heeft gedaan, d.w.z. zijn kosten zijn minder snel gestegen of ze zijn sterker gedaald dan de kosten in de sector, zal hij door de benchmarking in de volgende reguleringsperiode meer inkomen uit de periodieke distributienettarieven mogen ontvangen dan dat hij volgens zijn eigen kostenevolutie nodig zou hebben, wat hem in de volgende jaren een extra winstmarge zou kunnen opleveren. Omgekeerd, als een distributienetbeheerder het “slechter” heeft gedaan in de laatste jaren, d.w.z. zijn kosten zijn meer gestegen of minder gedaald dan de kosten in de sector, zal hij door de benchmarking in de volgende reguleringsperiode minder inkomen uit periodieke nettarieven mogen ontvangen dan dat hij volgens de eigen kostentrend nodig zou hebben, wat hem minder winstmarge kan opleveren als hij blijft voortdoen zoals in het recente verleden. Elke distributienetbeheerder krijgt als het ware steeds een stimulans om het beter te doen dan de sector in zijn geheel. Tegelijk wordt zijn aandeel ook mee beschouwd voor de richting waarin de sectorkosten in hun geheel evolueren.

Hoe werkt het voorschotmechanisme?

We beseften dat het mechanisme van nacalculatie voor endogene kosten uitgaat van een redelijk stabiele situatie met investeringsgolven bij netbeheerders die zich spreiden over meerdere jaren. De meeste endogene kosten zijn trouwens ‘vast’, zoals afschrijvingskosten en kapitaalkosten, dus weinig variërend jaar op jaar. Het kan echter toch zijn dat één of meer distributienetbeheerders worden geconfronteerd met onverwachte gebeurtenissen die een invloed hebben op hun kosten. We denken bijvoorbeeld aan de mogelijkheid dat men in Vlaanderen beslist om slimme meters te plaatsen. Deze activiteiten kunnen een trendbreuk veroorzaken in de wijze waarop de endogene kosten jaar op jaar evolueren. Een distributienetbeheerder kan dan met meer kosten geconfronteerd worden maar zijn inkomen is geplafonneerd en nog gebaseerd op het oude kostenniveau. Daarom beschikken we in de tariefmethodologie 2017-2020 nu over een voorschotmechanisme. Het is een manier om de nacalculatie, de aanpassing van de inkomsten in de volgende reguleringsperiode, te versnellen. Dit komt ten goede aan de financiële stabiliteit van de distributienetbeheerder, die dan een kortere periode moet voorfinancieren. Het is wel geen automatisch mechanisme en we zullen elk geval apart bestuderen. Een afspraak in het voorschotmechanisme is ook dat elke verhoging van de distributienettarieven (als voorschot) nadien moet teruggegeven worden onder de vorm van een korting. We behouden zo de efficiëntieprikkel voor de distributienetbeheerder. Een voordeel  voor de klanten is ook dat het later leidt tot minder grote tariefschokken of –wijzigingen jaar op jaar.

Uiteraard kunnen we ook negatieve voorschotten geven, indien nodig.

Is de winst van de distributienetbeheerder gegarandeerd?

Nee. De winst van de distributienetbeheerder zal bepaald worden door zijn eigen bedrijfsvoering. De winst volgt uit de opbrengsten, vooral uit de door de VREG toegelaten inkomsten uit de distributienettarieven, en kosten van het boekjaar. Aangezien we er in de tariefmethodologie voor zorgen dat opbrengsten en kosten voor exogene kosten gelijk zijn (geen winstmarge), wordt de winst gehaald uit het verschil tussen de opbrengsten uit distributienettarieven voor endogene kosten en de werkelijke endogene kosten van de netbeheerder. Het door ons volgens de tariefmethodologie toegelaten inkomen voor endogene kosten bevat een potentiële winstmarge, evenwel gecorrigeerd na de benchmarking, maar het blijft mogelijk dat een distributienetbeheerder tijdelijk minder winst of misschien zelfs verlies maakt omdat hij onverwacht veel kosten heeft. De onzekerheid over de winst stimuleert de netbeheerder om op een doordachte en efficiënte wijze te werk te gaan.

Is het opnemen van een potentiële winstmarge voor de  distributienetbeheerders in de distributienettarieven noodzakelijk?

Ja. Het inbouwen van een potentiële winstmarge in het toegelaten inkomen van de distributienetbeheerder uit zijn distributienettarieven is noodzakelijk en internationaal gebruikelijk. De activa van de distributienetbeheerder, bv. zijn netinfrastructuur, zijn gebouwen en zijn wagens, moet worden gefinancierd. Hij zocht en zoekt daarvoor naar financiering bij aandeelhouders en anderen zoals commerciële banken en obligatiehouders. De periodieke inkomsten uit de distributienettarieven worden o.a. gebruikt voor de aflossing van de leningen plus de betaling van de rentes aan banken en obligatiehouders. De aandeelhouders hebben, in tegenstelling tot bijvoorbeeld de obligatiehouders, niet de garantie van een periodieke vergoeding. Zij kunnen normaliter pas een vergoeding ontvangen wanneer de onderneming winst maakt. Uit de winst kunnen dan dividenden betaald worden. De potentiële winstmarge dient om aan de distributienetbeheerder minstens een uitzicht op potentiële winstgevendheid te bieden waarmee hij zijn aandeelhouders kan vergoeden voor het door hen ter beschikking gestelde kapitaal. Aandeelhouders zijn nodig om de kredietwaardigheid van de onderneming te ondersteunen. We geven vooraf een potentiële winstmarge (na benchmarking) maar het is aan de distributienetbeheerder om door goede bedrijfsvoering op het einde van het boekjaar ook effectief winst te maken.

Het voordeel van de potentiële winstmarge is dat de netbeheerders, die in hun netgebied werken als monopolisten, naast de tariefmethodologie ook vanwege hun eigen aandeelhouders een prikkel kunnen ontvangen om kostenefficiënt te werken om hen op het einde van het boekjaar dividenden te kunnen uitkeren. Minder kosten betekent mogelijk meer winst en dus mogelijk meer dividend voor de aandeelhouder. Minder kosten leiden in de tariefmethodologie nadien tot lagere tarieven voor de klanten.

Is er een risico dat een distributienetbeheerder uit winstmaximalisatie te veel bespaart op zijn kosten?

Men zou inderdaad kunnen stellen dat een distributienetbeheerder maar hoeft te besparen op zijn endogene kosten om meer winst te maken. In de tariefmethodologie zit echter een vorm van nacalculatie ingebouwd. Als de kosten blijven afnemen, zullen de distributienettarieven ook dalen. Dit is positief voor de klanten, die profiteren van de inspanningen voor meer efficiëntie door de distributienetbeheerder. Het betekent voor de distributienetbeheerder dat zijn volgende toegelaten inkomsten uit periodieke distributienettarieven zullen afnemen. Als hij dan op een bepaald moment toch zou worden geconfronteerd met stijgende kosten, bijvoorbeeld door het begin van een nieuwe investeringscyclus (bv. door vervangingsinvesteringen), zal hij een groter deel van zijn inkomsten uit de periodieke distributienettarieven moeten aanwenden voor de stijgende kosten. Hij houdt dan minder winst over (of in het slechtste geval helemaal geen). Of hij per jaar wat meer of wat minder winst overhoudt, zal dus bepaald worden door zijn dividend- en reserveringspolitiek, al dan niet gebaseerd op de kostencyclus die de netbeheerder voor zichzelf heeft uitgestippeld en hoe die zich verhoudt tot deze in de sector. Dit mechanisme zorgt er ook voor dat een netbeheerder wordt ontmoedigd om onvermijdelijke, noodzakelijke kosten tijdelijk uit te stellen uit een kortzichtig streven naar winstmaximalisatie.

Indien een distributienetbeheerder er toch voor zou kiezen om te sterk te besparen op kosten kunnen vragen gesteld worden over de kwaliteit van zijn dienstverlening. We verwijzen naar de volgende voor een toelichting bij deze bedenking.

Stimuleert de tariefmethode voldoende de kwaliteit van de dienstverlening door de distributienetbeheerder?

Ja. Dit was een bekommernis die we hebben aangepakt in de tariefmethodologie 2017-2020. Een distributienetbeheerder zou immers, onder druk van zijn aandeelhouders, vooral kunnen kiezen voor winstmaximalisatie ten koste van de kwaliteit van zijn dienstverlening. Het zou verleidelijk kunnen worden om te gaan besparen op ogenschijnlijk weinig essentiële kosten zoals bijvoorbeeld rond de interacties met de klanten. We introduceerden daarom een kwaliteitsprikkel in de tariefmethodologie voor de reguleringsperiode vanaf 2017 die dergelijke besparingen ontmoedigt. Het is een bonus/malus systeem waarbij we vanaf 2017 de prestaties van de distributienetbeheerders zullen opvolgen op het vlak van stroomonderbrekingen, laattijdige aansluitingen, klachten van distributienetgebruikers en de inspanningen van de netbeheerders m.b.t. klantentevredenheid en het betrekken van de belanghebbenden. Op basis van hun onderlinge resultaten zullen ze daaruit dan later meer of minder inkomsten uit distributienettarieven ontvangen. De netbeheerders bepalen daarbij zelf het niveau van geleverde kwaliteit maar hoe groter hun onderlinge verschillen worden, des te groter ook de latere boni (voor de betere distributienetbeheerders) en mali (voor de slechtere distributienetbeheerders). We hebben de mogelijke financiële impact van de prikkel enigszins beperkt, aangezien we er van uit gaan dat de kwaliteit van dienstverlening zich vandaag op een degelijk niveau bevindt en we ook geen overinvesteringen wensen uit te lokken. We zullen uiteraard voorstellen om de prikkel te versterken indien we in de volgende jaren zouden merken dat het niveau van kwaliteit van dienstverlening achteruit gaat.

Met welk rendement voor kapitaal wordt gerekend?

We passen in de tariefmethodologie een bepaald kapitaalkostenpercentage toe op de boekwaarde van de relevante activa van de netbeheerder die worden gefinancierd door eigen en vreemd vermogen. Het percentage is vastgesteld op 5,0% vóór vennootschapsbelasting voor de periode 2017-2020. De kapitaalkost per distributienetbeheerder is onderdeel van zijn endogene netkosten en wordt vastgesteld na de benchmarking, zodat o.a. rekening gehouden wordt met de actuele positie van de ondernemingen in de investeringscyclus. De kapitaalkostenvergoeding dient om de netbeheerder de mogelijkheid te geven om de verschaffers van kapitaal waarmee hij werkt, te vergoeden: de interesten voor de obligatiehouders en de commerciële banken en, via de winst, de dividenden voor zijn aandeelhouders.

Het bedrag van de kapitaalkost in onze tariefmethodologie is normatief, m.a.w. als een distributienetbeheerder zich goedkoper weet te financieren, kan hij daardoor extra winst overhouden. Hij wordt a.h.w. aangemoedigd om de goedkoopste financiering te zoeken en zijn risicoprofiel te beheersen. Wie aan een distributienetbeheerder geld leent, zal immers bij de perceptie van een verhoogd investeringsrisico ook een hogere rentevoet vragen, wat op zijn beurt de winst van de netbeheerder zal drukken.

We onderzoeken per reguleringsperiode hoe de percentages moeten geactualiseerd worden.

Waarom wordt de vennootschapsbelasting aangerekend via de nettarieven?

We vinden het nodig om met de vennootschapsbelasting (sinds 1 januari 2015) rekening te houden in de tariefregulering. De aandeelhouders ontvangen immers hun dividend uit de winst na aftrek van de vennootschapsbelasting.

De vergoeding die de aandeelhouder eist of verwacht is gekoppeld aan het risico van zijn investering. Als hij vindt dat hij meer risico loopt, zal hij een hogere vergoeding eisen, en omgekeerd. Zo beoordeelt een investeerder ook het risico van een investering in een elektriciteits- of aardgasdistributienet. Indien de vergoeding zou dalen door een vennootschapsbelasting, stemt ze niet meer overeen met het (ongewijzigde) risico dat de aandeelhouder met zijn investering loopt. Een gevolg daarvan is dat het niet meer interessant zou zijn om aandeelhouder te zijn van die distributienetbeheerder. Het is dan beter om het kapitaal te investeren in een andere onderneming met ongeveer hetzelfde risico (bijvoorbeeld een buitenlandse distributienetbeheerder) waar de investeerder wél een gepaste netto-vergoeding kan ontvangen. Het wordt dan moeilijk, zo niet onmogelijk, voor een distributienetbeheerder in Vlaanderen om nog nieuw kapitaal of nieuwe aandeelhouders aan te trekken. De toekomst van het distributienetbeheer zou m.a.w. onzeker worden. Het is een potentieel risicovolle situatie die moet vermeden worden.

De oplossing bestaat erin de aanvankelijk in de tariefmethodologie voorziene winstmarge van de distributienetbeheerder op te trekken om de daling door de invoering van de vennootschapsbelasting a.h.w. te compenseren. Deze aanpak is gebruikelijk in een tariefregulering.

Wat zijn regulatoire saldi?

Regulatoire saldi zijn bepaalde tekorten of overschotten die nog via de distributienettarieven moeten doorgerekend worden. Ze ontstaan omdat het gewoon niet mogelijk is om kosten en inkomsten vooraf exact te voorspellen. De saldi worden vastgesteld per kalenderjaar en bijgehouden per distributienetbeheerder.

We geven de distributienetbeheerder voor een bepaald kalenderjaar een toegelaten inkomen uit zijn periodieke distributienettarieven als som van een toegelaten inkomen voor zijn exogene kosten en van een toegelaten inkomen voor zijn endogene kosten.

- Elk verschil tussen zijn werkelijke exogene kosten en werkelijke opbrengsten voor exogene kosten, vloeit terug naar de distributienetgebruikers via de volgende distributienettarieven. Deze verschillen, ontstaan door verschillen tussen budget en realiteit, zijn regulatoire saldi.

- Het toegelaten inkomen van de distributienetbeheerder voor zijn endogene kosten is grotendeels gegarandeerd. Als hij meer heeft ontvangen dan toegelaten, vloeit het overschot als een korting terug via de volgende distributienettarieven. Als hij minder heeft ontvangen dan toegelaten, zal het tekort via de volgende distributienettarieven gerecupereerd worden. Deze overschotten en tekorten zijn eveneens regulatoire saldi. Om tariefschommelingen te vermijden, wensen we dat deze saldi beperkt zijn. We werken daartoe met niet-discriminatoire, realistische afzetvolumes opdat de verschillen tussen verwachte en werkelijke opbrengsten beperkt zouden zijn.

- In de tariefmethodologie 2017-2020 zijn er twee bijkomende regulatoire saldi ingevoerd:

  • M.b.t. de vennootschapsbelasting: We schatten de correctie op het toegelaten inkomen voor de werkelijk te verwachten vennootschapsbelasting (o.a. onder de invloed van de notionele interestaftrek en de fiscaal niet-aftrekbare afboeking van herwaarderingsmeerwaarden). Het verschil met de werkelijke correctie vormt nadien een regulatoir saldo.
  • M.b.t. de indexering van het toegelaten inkomen voor endogene kosten: We berekenen dit toegelaten inkomen uit distributienettarieven op basis van de geactualiseerde endogene kosten uit het verleden (2011-2015 voor de periode 2017-2020). Om de correcte aansluiting te maken naar de jaren van de reguleringsperiode, houden we rekening met de volgende indexatie. Het verschil met de werkelijke en voorziene indexatie vormt nadien een regulatoir saldo.

De tariefmethodologie 2017-2020 geeft aan hoe snel de distributienetbeheerders deze saldi moeten doorrekenen. Als we daarbij weten dat tekorten en overschotten elkaar kunnen opvolgen en dus al vanzelf voor een gedeelte kunnen opheffen, werd hiermee rekening gehouden om onnodige tariefschokken te vermijden.

Daarnaast zijn er uiteraard ook de exploitatiesaldi uit het verleden, voordat de VREG de bevoegdheid over de distributienettarieven overnam van de CREG.

Meer informatie

Wat gebeurt met de inkomsten van de netbeheerder uit niet-periodieke distributienettarieven?

De niet-periodieke distributienettarieven worden afgestemd op de kosten van de distributienetbeheerders. Het zijn tarieven, voorgesteld door de distributienetbeheerder, die kostenreflectief, niet-discriminatoir en transparant moeten zijn.

De inkomsten van de distributienetbeheerder uit deze tarieven blijken beperkt te zijn in vergelijking met zijn inkomsten uit de periodieke distributienettarieven.

Als u een nieuwe infrastructuur (bijvoorbeeld een nieuwe aansluiting) aanvraagt, dan wordt het bedrag dat u daarvoor als klant moet betalen, door de netbeheerder in zijn boeken in mindering gebracht van de waarde van die infrastructuur. Het deel van de netinfrastructuur dat u als klant heeft betaald, kan dan niet gebruikt worden als bron van winst voor de netbeheerder. Ook nadien, periodiek, heeft de netbeheerder geen kapitaalkost voor die infrastructuur, zodat ze hem geen winst kan opleveren.

Er zijn ook niet-periodieke distributienettarieven voor bepaalde dienstverleningen. In de tariefmethodologie worden deze opbrengsten afgetrokken van de kosten van de distributienetbeheerder om zo de nettokosten te bepalen die zullen dienen voor de latere nettarieven.

Waar vind ik gedetailleerde informatie over de tariefmethodologie en de nettarieven van mijn distributienetbeheerder terug?

De volledige tariefmethodologie voor de reguleringsperiode 2017-2020.

Vreg is de Vlaamse regulator van de elektriciteits- en gasmarkt
Heeft u een vraag? Mail of bel 1700