Het groenestroombesluit
Het besluit van de Vlaamse regering van 5 maart 2004 inzake de bevordering van elektriciteitsopwekking uit hernieuwbare energiebronnen (B.S. 23 maart 2004)Dit besluit werd gewijzigd door onder meer:
Besluit van de Vlaamse regering van 5 juni 2009 (B.S. 16 september 2009)
• Wijziging van de begindatum voor de toekenning groenestroomcertificaten (wijziging artikel 3)
De nieuwe regeling verduidelijkt de regeling die tot nu toe steeds werd toegepast voor grote installaties (= installaties die jaarlijks meer dan of gelijk aan 100.000 kWh per jaar produceren), namelijk dat deze pas groenestroomcertificaten krijgen vanaf de datum van de groenestroomkeuring.
Voor kleine installaties (= alle installaties die jaarlijks minder dan 100.000 kWh per jaar produceren) worden de groenestroomcertificaten toegekend vanaf de datum van het AREI-verslag, op voorwaarde dat de aanvraag tot toekenning van groenestroomcertificaten werd ingediend binnen een jaar na de datum van dit AREI-verslag.
• Met artikel 2 wordt artikel 24 van het Elektriciteitsdecreet uitgevoerd, door bepaling van de nadere regels met betrekking tot de isolatievoorwaarde van dak of zoldervloer (aanvulling artikel 5).
• Wegvallen van de rol van OVAM bij vaststelling elektriciteitsproductie uit het organisch-biologisch deel van restafval (aanvulling art. 9)
Voorheen werd bepaald dat OVAM de hoeveelheid energie bepaalt die in aanmerking komt voor het verkrijgen van groenestroomcertificaten voor installaties die afvalstoffen gebruiken. Dit gebeurde aan de hand van het percentage organisch-biologische stoffen/afvalstoffen in het afval. De mogelijkheid tot wijziging van het percentage voor het bepalen van de organisch-biologische fractie leidde evenwel tot onzekerheid omtrent de rendabiliteit van de uitgevoerde investeringen, wat in het algemeen het investeringsklimaat voor groenestroomprojecten kan aantasten. De vraag rees daarom om bij de groenestroomproductie met afvalverbrandingsovens de groenfactor in het restafval uit te klaren en vast te stellen.
• Regeling voor bijstook van biomassa in kolencentrales (toevoeging in art. 15)
Het vervangen van steenkool door biomassa in elektriciteitscentrales wordt met deze regeling bevorderd. Indien de verhouding van biomassa in de totale gebruikte brandstoffen hoger is dan 60%, komen alle groenestroomcertificaten in aanmerking voor de certificatenverplichting. Indien minder of gelijk aan 60% biomassa wordt gestookt, komen de overeenkomstige groenestroomcertificaten maar voor de helft in aanmerking voor de certificatenverplichting.
• Controle productie-installaties door de netbeheerder (art. 18)
De netbeheerder is gemachtigd om op verzoek van de VREG via een controle ter plaatse van de productie-installatie en de meterstanden na te gaan of aan de voorwaarden tot toekenning van groenestroomcertificaten is voldaan.









